woensdag 4 mei 2016

Een graf in Keulen





























Samen met mijn inmiddels 85-jarige moeder bezocht ik vorige maand het graf van mijn beide overgrootouders, Adrian Teulings en Elise Merx, op de Südfriedhof in Keulen.
Op deze begraafplaats liggen de burgers, die omkwamen bij de bombardementen op de stad in de Tweede Wereldoorlog. Adrian en Elise zijn zeer waarschijnlijk de enige Nederlanders die er liggen.
Zij kwamen als jonggehuwden naar Keulen en stichtten daar een gezin. Er werden drie  dochters en een zoon geboren. Die zoon was mijn moeder's vader Addi. Adrian en Elise woonden in het oude centrum van de stad, Kämmergasse 1.
Adrian was de avond van het bombardement aan de overkant van de straat in een café toen het luchtalarm afging. De geallieerden gooiden fosforbommen af. Fosfor hecht zich aan alles en iedereen. Telkens als het wordt aangeraakt, begint het opnieuw te branden. Adrian besloot naar huis te gaan, maar kwam daar nooit aan.
Elise, die thuis was, maakte zich zorgen. Zij ging op zoek naar haar man.
De volgende morgen ging mijn opa Addi, samen met zijn dochter - mijn moeder - op zoek naar zijn ouders. Hij vond zijn moeder Elise, ernstig verbrand door de fosfor op haar schort.

De doden van die nacht werden overgebracht naar de Neumarkt, voor identificatie. Daar vond Addi zijn vader, totaal verkoold. Hij herkende hem aan een enkele schoen, die niet was verbrand.
Een bizarre speling van het lot was, dat het café het bombardement ongeschonden doorstond, evenals het huis aan de Kämmergasse 1. Als Adrian en Elise waren gebleven waar zij op dat moment waren, was er niets aan de hand geweest.
De geïdentificeerde doden werden naar de nieuw in te richten Südfriedhof gebracht. Addi's vrouw Aenne - mijn oma - ging daar nogmaals op zoek naar Adrian. Ze vond hem in een open graf. In het graf liet zij een briefje met gegevens achter. Later kwam er een stenen kruis op te staan.

Elise was er lichamelijk, maar ook psychisch, slecht aan toe. Addi en zijn gezin namen haar op in hun huis aan de Lütticherstrasse 38 in het Belgisches Viertel. Maar in de flat op de derde etage, met een gezin van vier personen, was er te weinig ruimte. Ze werd door haar oudste dochter, die in Düsseldorf woonde, verder verzorgd tot zij in 1944 alsnog aan haar verwondingen overleed. Omdat haar dood een gevolg was van het bombardement in 1943, werd zij bij haar man begraven als zijnde oorlogsslachtoffer.
De graven op de Südfriedhof worden nooit geruimd. In elk graf liggen twee personen, ook als die geen familie van elkaar zijn. Ook de militairen liggen er twee in één graf. Vreemd genoeg is het graf van Adrian en Elise nergens geregistreerd. Voor mijn moeder was het een emotioneel moment daar bij het graf. Aan het einde van de oorlog ging zij naar Nederland. Zij was 73 jaar lang niet meer bij het graf geweest. Van Elise vond ik nog een foto, niet van Adrian. Maar volgens mijn moeder leek hij als twee druppels water op Jan Teulings (de acteur), de zoon van zijn broer Johannes.


Op Hemelvaartsdag 1944 overleed mijn moeders vader Addi, aan de gevolgen van 'Wundrose'. Zijn graf is wel geruimd. Hij had zo dolgraag de vrede mee willen maken.


Mia Dittmar
 
 
 
 
 
 



dinsdag 26 april 2016

Een reis-inktpotje



In onze verzamelingen bevinden zich soms vreemde voorwerpen. Een van die voorwerpen is dit mooie kleine inktpotje, vermomd als een reistas, compleet met de opdruk ‘Berlin’.


Bij het potje zit een klein briefje, geschreven door de vroegere eigenaar:

‘Gisteren vond ik na tientallen jaren! Deze zak-inktkoker. Mijn herinnering gaat terug ….. naar het jaar 1913! Ik speelde in de kamer van mijn Tante. Zij woonde toentertijd nog in het huis harer Ouders, gelegen aan de Koninginneweg no. 85 te Amsterdam. Zij gaf mij dezen inktkoker vóór haar vertrek naar Ned. Oost-Indië in Februari 1914 ten geschenke.’

Het potje gaat terug naar de familie van de eigenaar. Hopelijk zijn daar nog kleine kinderen die er graag mee willen spelen.

zaterdag 5 maart 2016

Verborgen verleden zaterdag 5 maart Aaf Brandt Corstius (herhaling van 2014)


De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden wordt gelegd met behulp van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. In de uitzending wordt een aantal familielijnen uitgewerkt voor de zoektocht van de hoofdpersoon, maar er zijn natuurlijk nog veel meer verhalen te vertellen. Naar aanleiding van ons onderzoek geven we op deze pagina’s nog wat extra informatie bij de betreffende uitzending.

De naam Brandt Corstius



In onze familienamenbank worden dertig Brandt Corstiussen genoemd. De telling is van 2007, dus het kunnen er inmiddels meer zijn, maar zeker is dat het allemaal familie van Aaf Brandt Corstius is. Het klinkt chique, de naam Brandt Corstius. Maar waar komt die naam vandaan? Bij dubbele namen denk je al gauw aan een adellijke afkomst met bezittingen, landgoederen, heerlijkheden en wat dies meer zij – maar doorgaans zit dat toch anders in elkaar.
Op 29 juni 1832 werd in Amsterdam het huwelijk tussen Lambertus Corstius (1806-1866) en Immetje Catharina Brandt (1807-1854) gesloten. Een jaar later, in 1833, werd hun zoon Melchior geboren.
Melchior Corstius voegde de familienaam van zijn moeder toe aan zijn achternaam. Op 22 februari 1877 werd bij Koninklijk Besluit vastgelegd dat 'hij zich met zijne wettige nakomelingen voortaan zal mogen noemen en teekenen Brandt Corstius'. Zijn zoon Johannes Christiaan - Aafs overgrootvader - was in 1875 nog geboren als Johannes Christiaan Corstius, twee jaar later werd in de geboorteakte een extra aantekening gemaakt.

Melchior


Melchior Corstius (1833-1886), die na 1877 dus Brandt Corstius heette, was predikant. Het opmerkelijke is dat hij vernoemd was naar zijn grootvader Melchior (1774-1815) én naar zijn overgrootvader Melchior (1749-1815), die allebei ook predikant waren (en een maand na elkaar stierven; de jongste het eerst). Het beroep van predikant kwam verder niet als vanzelfsprekend in de familie Corstius voor, waardoor je toch een beetje 'nomen est omen' gevoel krijgt bij die Melchiors.
 

Brandt


Dat Melchior Corstius de naam van zijn moeder aan de zijne toevoegde had misschien ook te maken met de verwantschap die hij als kerkelijk man voelde met de familie Brandt. De voorouders van zijn moeder Immetje waren namelijk sinds de achttiende eeuw uitgevers van bijbelse - en kerkboeken.
De familie Brandt was van oorsprong een Duitse familie. Jonas Brandt (1621-1702) begon een boekbinderij in Kreuznach, twee van zijn zoons zetten het boekbindersvak voort, en kleinzoon Hendrik Brandt vertrok naar Amsterdam waar hij in 1742 de basis legde voor een 'Boek en Bijbel Negotie' en een 'daarbij behoorende Boekbinderije'. De zaak werd in de jaren zeventig van die eeuw overgenomen door neef Joannes Brandt, die net daarvoor in 1775 was getrouwd met Immetje Rebel over wie een gelegenheidsdichter tijdens het huwelijk snedig opmerkte dat ze 'vriendelijk en fris van leden' was en zich nooit 'rebellig' zou tonen. Joannes en Immetje waren de grootouders van Immetje Catharina Brandt.
 

Rijkdom door plantages


Via Aafs overgrootmoeder aan vaderskant Johanna Krol (1883-1964) loopt er een lijntje naar de vroegere Nederlandse koloniale bezittingen in de Cariben. Johanna's vader Jan Krol (1857-1924) was de zoon van Sara Endtz (1828-1893), die de dochter was van Rebecca Wolf (1805-1866).
Rebecca's vader Elias Wolf (1768-1842) was geboren in het Oostfriese Jever. Hij vertrok als jongeman naar de toen Nederlandse kolonie Essequebo, waar hij trouwde met Sarah Barkey, dochter van Jacob Barkey en Sara Du Donjon. Via dit huwelijk verwierf hij belangen in verschillende plantages van zijn schoonvader. Hij vertrok weer naar Nederland waar hij in 1814 het landgoed Vredelust bij Hoogeveen kocht.
Meer over de Nederlandse belangen in de (na 1815 Engelse) koloniën Berbice, Demerara en Essequebo en families die daarmee verbonden zijn, kunt u lezen in Gen.magazine 2015-1 en in ons migrantenblog
 

Hugo Brandt Corstius


Aaf Brandt Corstius en haar broer Jelle zijn allebei inmiddels bekende media-persoonlijkheden. Aaf treedt met haar geschreven columns misschien nog wel het meest in de voetsporen van haar vader Hugo. Hugo Brandt Corstius is vooral voor de wat ouderen onder ons een begrip. Velen zullen zijn opgegroeid en volwassen geworden met de Opperlandse taal- & letterkunde uit 1981 en de honderden teksten die hij schreef als zichzelf of als Piet Grijs, Maaike Helder, Talisman, Stoker, Peter Malenkov of Battus.
En eigenlijk is deze aflevering van Verborgen Verleden voor een deel ook een eerbetoon aan hem; hij was nog maar pas overleden toen de opnames waren in 2014.
Op de foto: Aaf Brandt Corstius tijdens het Famillement in Leiden in 2014.
Aaf Brandt Corstius - ABC. Daar is over nagedacht.





zaterdag 27 februari 2016

Verborgen Verleden zaterdag 27 februari 2016 Frank Visser


De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden wordt gelegd met behulp van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. In de uitzending wordt een aantal familielijnen uitgewerkt voor de zoektocht van de hoofdpersoon, maar er zijn natuurlijk nog veel meer verhalen te vertellen. Naar aanleiding van ons onderzoek geven we op deze pagina’s nog wat extra informatie bij de betreffende uitzending.


Krijg de pest

De ruziënde buren die door Rijdende Rechter Frank Visser in het gareel moesten worden gebracht, zullen elkaar vast wel eens ‘de pest’ hebben toegewenst of zelf terdege ‘de pest in’ hebben gehad na een voor hen ongunstig uitvallend oordeel.
De terechte gevoeligheid met betrekking tot het schelden met ‘kanker’ geldt allang niet meer waar het gaat over de pest, want de periodes waarin die dodelijke ziekte heeft huisgehouden in en ook ver buiten Europa, ligt gelukkig alweer een behoorlijk eindje achter ons.
Franks grootouders van vaderskant overleden kort na elkaar aan de Spaanse griep, waardoor hun jonge kinderen, onder wie Franks toen achtjarige vader, in het Utrechts weeshuis terechtkwamen.
Net als de Spaanse griep, zal ook de pest in veler familiegeschiedenis een rol hebben gespeeld. Maar aangezien dat zoveel langer geleden is, valt daarover minder makkelijk iets te achterhalen. In Franks familiegeschiedenis kwamen we echter wel een ‘pestlijder’ tegen.
Aan moederskant stamt Frank af van een Peter Janssen of Jansz die omstreeks 1580 werd geboren in Utrecht. Het adres waar hij met zijn gezin woonde, werd  aangeduid als ‘St. Catarinenstraat bij ’t Pleijn van Vredenborch’. Daar overleed hij aan de gevolgen van de pest. Hij werd op 9 april 1627 begraven in de Magdalenakerk. Hij liet een vrouw en vier ‘onmondige’ kinderen achter.

Familienaam Stramrood

De lijn die Frank Visser met deze Peter Janssen verbindt, loopt van zijn moeder Petronella Honders (1911-1998) naar zijn grootmoeder Henrica Philipoom (1887-1979), via zijn overgrootvader Johannes Philipoom (1859-1887) naar zijn betovergrootmoeder Johanna Stamrood / Stramrood (1828-1906).
Peter Janssen wordt beschouwd als de stamvader van de familie Stramrood. Zijn twee zoons Jan en Teunis noemden zich op een zeker moment Van Stramproij en legden daarmee de basis van de familienaam die evolueerde naar Stramrood.
Als u daar meer over wilt weten kan ik u verwijzen naar het wetenswaardige boek van Ar Stramrood, Veertien generaties Stramrood van 1580 tot 2015 ( Bilthoven 2015) dat te vinden is in de bibliotheek van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. Op te vragen via onze bronnenzaal

De naam Philipoom

Franks grootmoeder van moederskant heette Henrica Philipoom. Een opmerkelijke naam, die de vraag opwerpt waar hij vandaan komt. De oorsprong ligt bij een voorvader met de naam Philip Ohm. Hij diende als soldaat in 1773 en kreeg nakomelingen die zijn voor- en achternaam als familienaam gingen voeren: Philipohm werd Philipoom.
Voor meer informatie over achternamen zie onze familienamenbank

Huwelijke bezwaren?

Franks grootmoeder van vaderszijde heette Catharina van Brussel ( 1886-1918). Toen zij in 1909 met Franks grootvader Pieter Visser trouwde, leefde hààr grootmoeder van vaderskant nog: Doortje Schoonhein (1827-1911).
Doortje Schoonhein trouwde met Willem van Brussel (1825-1866). Het huwelijk werd voltrokken op 17 september 1851, maar voorafgaand aan het huwelijk waren er kennelijk strubbelingen geweest tussen Willem en zijn vader Cornelis van Brussel (1804-1884).
In de huwelijkse bijlagen vonden we een akte van het kantongerecht. Vader Cornelis was op 5 juni 1851 gedagvaard om de volgende ochtend om negen uur te verschijnen ‘in een der vertrekken van het gebouw in den Dom, thans wijk F, nummer 275 te Utrecht ter plaatse onzer gewone terechtzittingen’. Het was de bedoeling dat Cornelis zijn toestemming zou geven voor het huwelijk van zijn zoon, maar dat deed hij niet. Vader Cornelis ‘verklaarde gegronde redenen te hebben om zijne toestemming tot het voormelde huwelijk van zijnen genoemde zoon te moeten weigeren, niet tegenstaande onze aan hem en zijnen zoon gedane vertoogen’.
Nadere informatie over de reden waarom Willems vader bezwaar maakte tegen het huwelijk van zijn zoon, geven de archieven helaas niet prijs.
Willem was het enige kind van Cornelis van Brussel en Jantje van Lith (1800-1885). Zijn geboortedatum ligt ruim twee jaar vóór het huwelijk van zijn ouders – vader Cornelis erkende hem bij het huwelijk. Zou het kunnen zijn dat Willem niet Cornelis’ zoon was, en dat de strubbelingen daar iets mee te maken hadden? Nader onderzoek in de rechterlijke archieven zou misschien iets meer licht op deze zaak kunnen werpen. Wie weet kan mr. Visser hier nog eens in duiken…

Reactie Frank Visser

Naar aanleiding van de bovenstaande kwestie mailde Frank Visser ons met de suggestie dat de bezwaren van vader Cornelis tegen het huwelijk van zijn zoon te maken hadden met het geloof.
Hij schrijft: 'De Van Brussels waren in de zeventiende eeuw en daarna nog goed protestant en zoonlief trouwde een katholiek meisje. Mijn grootmoeder Van Brussel was zeer katholiek. Dus is deze tak van de familie Rooms geworden. Genoeg reden om zo'n huwelijk tegen te willen houden, dunkt mij.'
Dat zou inderdaad heel goed mogelijk kunnen zijn, denken ook wij!


zaterdag 20 februari 2016

Verborgen Verleden zaterdag 20 februari 2016 Dominique van der Heyde


De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden wordt gelegd met behulp van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. In de uitzending wordt een aantal familielijnen uitgewerkt voor de zoektocht van de hoofdpersoon, maar er zijn natuurlijk nog veel meer verhalen te vertellen. Naar aanleiding van ons onderzoek geven we op deze pagina’s nog wat extra informatie bij de betreffende uitzending.

Cabriolet in het hooi

Over Dominiques grootvader van moederskant, Jan Frederik van Erven Dorens (1904-1994) is een mooie anekdote bekend. Hij was architect en heeft onder meer huizen gebouwd in Laren, waar hij ook met zijn gezin woonde. Jan Frederik was de trotse eigenaar van een Lagonda, een prachtige Britse cabriolet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog deed hij er alles aan om ervoor te zorgen dat de Duitsers hem niet in beslag zouden nemen. Daarom verstopte hij hem in een hooiberg, voordat hij zelf onderdook.
Bij de bevrijding werd de wagen echter wel geconfisqueerd – door de Binnenlandse Strijdkrachten. Zij gingen er vanuit dat het een auto van de vijand was, en vervoerden er op 5 mei 1945 triomfantelijk Prins Bernhard in naar Hotel de Wereld in Wageningen, waar de onderhandelingen over de Duitse overgave werden gevoerd.
Grootvader Jan van Erven Dorens heeft de Lagonda nooit teruggekregen en is daar zijn leven lang boos over geweest. Grappig te weten dat Bernard wel een goede vriend werd van zijn zoon Robbie van Erven Dorens.

Nagekomen bericht

De heer Robin van Erven Dorens meldde ons naar aanleiding van dit verhaal:
'Bovenstaand verhaal over de Lagonda van onze grootvader Jan van Erven Dorens klopt niet helemaal. Prins Bernhard is niet in "onze" Lagonda naar Hotel de Wereld gereden voor de overgave van de Duitsers maar in de Mercedes van Seyss Inquart. De Lagonda werd later wel ingezet om Montgomery te vervoeren tijdens zijn triomftocht door Amsterdam. De prins reed erachteraan in zijn "oorlogs-Bentley".'

De naam Van Erven Dorens

In onze familienamenbank worden 44 Van Erven Dorens genoemd. De telling is van 2007, dus het kunnen er inmiddels meer zijn, maar zeker is dat het allemaal familie van Dominique is. Het klinkt chique, de naam Van Erven Dorens. Maar waar komt die naam vandaan?
Bij dubbele namen denk je al gauw aan een adellijke afkomst met bezittingen, landgoederen, heerlijkheden en wat dies meer zij – maar doorgaans zit dat toch anders in elkaar.
Dominiques betbetovergrootvader Joannes Jacobus Josephus Hermanus van Erven (1802-1858) was degene die officieel toestemming vroeg om de naam Dorens, de familienaam van zijn moeder Bernardina Maria Susanna Dorens, aan de zijne te mogen toevoegen. De aanvraag werd in 1823 bij Koninklijk Besluit goedgekeurd. Werd hij gedreven door ijdelheid, vond hij het interessant om een dubbele naam te dragen? Misschien had het er iets mee te maken, maar er was vooral een puur zakelijke reden om de naam Dorens te willen voeren.
Joannes van Erven was net als zijn vader spiegel- en lijstenverkoper in het bedrijf van de familie van zijn moeder, de Firma Wed. G. Dorens en Zoon (opgericht in 1770). Het bedrijf was gevestigd aan het Rokin in Amsterdam (op nummer 56). Zo’n koninklijke goedkeuring om een tweede naam aan je familienaam toe te voegen, werd gegeven in het geval de betreffende tweede naam door gebrek aan mannelijke naamdragers dreigde uit te sterven. Op deze manier bleef de naam Dorens voor de familie behouden.

Familie met hofstede

Joannes’ zoon Eduard Walterus Bernardus (1830-1888) – Dominiques betovergrootvader - was net als zijn vader en grootvader koopman in spiegels. Hij trouwde op dertigjarige leeftijd – in Amsterdam – met de even oude Maria Cornelia Theresia Herckenrath (1830-1895). Maria Herckenrath was afkomstig uit een familie die (wél) een hofstede bezat, daar paste de dubbele naam van haar echtgenoot mooi bij.
Het huwelijk van Maria en Eduard was drie jaar vóór hun beider geboorte al voorafgegaan door een huwelijkse verbintenis tussen de twee families: Maria’s oom Louis trouwde in 1827 met Suzanna van Erven Dorens, dus waarschijnlijk kenden Maria en Eduard elkaar al van kinds af aan omdat ze min of meer familie waren.
De familie Herckenrath was eigenaar van de buitenplaats of hofstede Geerbron in Monster. Maria’s grootvader Gerardus Herckenrath, baljuw en schout van Monster, kocht het in 1801. Hij was arts, net als zijn zoon, Maria’s vader, Augustus Herckenrath (1794-1869). Augustus bracht zijn jeugd door op hofstede Geerbron, maar vertrok, eenmaal volwassen, naar Amsterdam. Maria werd in Amsterdam geboren, maar wie weet bracht ze haar vakanties door op Geerbron – misschien ook nog later, samen met haar man en kinderen.


De hofstede zelf bestaat niet meer, maar wel de grafkelder die halverwege de negentiende eeuw werd aangelegd en waarin leden van de familie Herckenrath die tussen 1844 en 1849 stierven, begraven liggen. Op een foto en bijbehorende plattegrond zijn veertien kisten te zien: tien kisten bevatten de lichamen van volwassenen; in drie kleine kistjes met de nummers 11, 12 en 13 liggen  kindjes. En in kist nummer veertien ligt ‘mevrouw Zuiderwijk, baker bij de familie Herckenrath’.


Het wapen van de familie Herckenrath bevindt zich in onze Heraldische Databank


In het maartnummer van Gen.magazine staat een uitgebreid interview met Dominque van der Heyde
Op bovenstaande foto Dominique in het Amstelhotel; over haar familieconnectie daarmee leest u in het interview. (Foto Leendert Brouwer)

zaterdag 13 februari 2016

Verborgen Verleden zaterdag 13 februari 2016 Jochem Myjer

De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden wordt gelegd met behulp van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. In de uitzending wordt een aantal familielijnen uitgewerkt voor de zoektocht van de hoofdpersoon, maar er zijn natuurlijk nog veel meer verhalen te vertellen. Naar aanleiding van ons onderzoek geven we op deze pagina’s nog wat extra informatie bij de betreffende uitzending.


De naam Myjer

Het eerste waar Jochem Myjer in deze aflevering opheldering over krijgt is de herkomst (en de spellingswijze) van zijn naam. Harmen Snel laat hem in het stadsarchief van Amsterdam de lijn van de Mijjers zien – allemaal Amsterdammers.
Oudgrootvader (= de zevende generatie) Isak Mijjer (1806-1887) was een vaderloos kind, zijn moeder heette Annaatje Meijjer. Bij haar is de opmerkelijke schrijfwijze van de naam Myjer begonnen, want haar naam Meijer wordt daar ineens geschreven als Mijjer – een schrijffoutje van de pastoor, die, aldus Jochem, dan zeker wel een neutje op had.
Archivaris Snel ging, geheel conform zíjn naam, soepel van de ongehuwde Annaatje over naar haar vader Rijk Meijer (geb. 1744) in Amsterdam en kwam uiteindelijk uit in Duitsland. In werkelijkheid zou het onderzoek voor de meeste genealogen zijn gestopt bij de ongehuwde Annaatje Meijer/Mijjer.
Het is moeilijk zo niet onmogelijk zoeken als je alleen maar een naam hebt die dan ook nog eens zoveel voorkomt als Anna Meijer – genealogen noemen dat een ‘grote naam’, dat wil zeggen een achternaam die heel veel voorkomt. In onze familienamenbank staan er voor nu al zo’n 40 duizend. Na een speurtocht in het bevolkingsregister op de naamcombinatie Isak en Anna Meijer in verschillende spellingsvarianten, vond collega Yvonne Prins, onze ‘Mrs. Verborgen Verleden’, een inschrijving van Isak bij een stiefvader, de man met wie Anna Meijer/Mijjer een aantal jaren na zijn geboorte trouwde. Goddank een huwelijksakte. Dat betekent namen van de ouders en dus aanknopingspunten voor verder onderzoek.
In 1832 trouwde Isak met Anna Buter

Dominees

Edward Bernard Rijnders (1913-1993), Jochems (lievelings)grootvader van moederskant, van wie hij de krullen heeft geërfd, was dominee. Ook overgrootvader Bernard Jacques Cornelis Rijnders (1881-1969) was dominee, en betovergrootvader Dirk Rijnders (1841-1888) eveneens. Daar stopt de lijn van dominees, want oudvader Bernardus Jacques Cornelis Rijnders ( 1799-1827) was veearts.

Geschilderd door Frans Hals

Betovergrootvader Dirk Rijnders, de veeartsenzoon die dominee werd, trouwde in 1871 in Alkmaar met de aldaar geboren jonkvrouw Catharina Barbara van Hogendorp (1853-1917), dochter van Jhr. Mr. Willem Andreas van Hogendorp en Sara Jacoba Druyvesteyn. De vader van Sara Druyvesteyn was Francois Constantijn Willem Druyvesteyn (1782-1859). Hij had verschillende bestuurlijke functies, was lid van de Tweede Kamer en later burgemeester van Alkmaar. Zijn voorvaders bekleedden zes generaties lang, van vader op zoon het ambt van burgemeester van Haarlem. Voorvader Aernout Druyvesteyn (1577-1627) was daarnaast nog brouwer én kunstschilder. Werk van hem is voor zover bekend niet bewaard gebleven, maar hij werd wel zelf op doek vereeuwigd door niemand minder dan collega-schilder Frans Hals.

Andreas Bonn

We blijven nog even bij de voorouders van lievelingsopa Rijnders.
Willem Andreas van Hogendorp was de zoon van Jhr. Mr. Willem van Hogendorp (1765-1835) en Hermina Clara Bonn (1774-1831). Hermina Bonn was de dochter van de beroemde Amsterdamse professor Andreas Bonn – ‘van de Andreas Bonnstraat!’ zoals iedere Amsterdammer dan uitroept.
Behalve als naamgever van die straat heeft Bonn belangrijke sporen verdiend op het gebied van de geneeskunst. Na zijn studie in Leiden en Parijs vestigde hij zich in Amsterdam, waar hij In 1771 werd  benoemd tot hoogleraar in de ontleed- en heelkunde aan het Atheneum; daarmee volgde hij Petrus Camper op – en inderdaad: de Amsterdamse Camperstraat is vlakbij de Andreas Bonnstraat.

Kunsthandel Douwes

Ook via de kant van de voorouders Myjer zijn nog tastbare familiesporen te vinden in het straatbeeld van Amsterdam. De moeder van Jochems grootmoeder van vaderskant was Helena Maria Agnes Douwes (1890-1944). Haar overgrootvader Hendrik Douwes vestigde zich in 1805 als decoratieschilder; penseelschilder heette dat in die tijd. Een decoratieschilder schilderde onder meer uithangborden, maakte en restaureerde muurschilderingen, behang en theaterdoeken. Hendriks zoon Evert, Helena’s grootvader, ontwierp zelfs een eigen letter die later bekend stond als ‘Amsterdamse schrijfletter’. De schilderswerkplaats van Hendrik Douwes groeide uit tot de tegenwoordige gerenommeerde Amsterdamse kunsthandel Gebroeders Douwes aan de Stadhouderskade. Maandblad Ons Amsterdam schreef erover.

Italiaanse voorouders

In de kwartierstaat van Jochem Myjer komen we ook Italiaanse voorouders tegen. Pietro Vittore Sormani, in 1791 geboren te Rezzago in Noord-Italië, trok naar Groningen, noemde zich voortaan Pieter Victor en trouwde in 1821 met Catharina Allegonde Witte. Ze kregen negen kinderen met veelal oer-Hollandse namen als (in chronologische volgorde) Johannes, Fredericus, Johanna, Christina, nogmaals Johanna, Antoon, Bernardus, nog een keer Johannes. In de naam van laatstgeborene klinken vaders Italiaanse roots nog het meest door. Zij heette Angelica Rosalie. Helaas werd ze maar een paar maanden oud.
De familielijn naar Jochem loopt via Christina, de vierde dochter van Pietro/Pieter en Catharina. Christina Josepha Elisabeth Sormani trouwde in 1851 in Groningen met de Groninger Johannes Hinderikus Harmannus Raken. Ze kregen dochter Catharina, die de moeder werd van de vader van de oma van Jochem. Zodoende.


Zelf aan de slag met uw familiegeschiedenis? Ga naar CBG|Centrum voor familiegeschiedenis


zaterdag 6 februari 2016

Verborgen Verleden zaterdag 6 februari 2016 Mark Tuitert



De basis voor elke aflevering van Verborgen Verleden wordt gelegd met behulp van het CBG|Centrum voor familiegeschiedenis. In de uitzending wordt een aantal familielijnen uitgewerkt voor de zoektocht van de hoofdpersoon, maar er zijn natuurlijk nog veel meer verhalen te vertellen. Naar aanleiding van ons onderzoek geven we op deze pagina’s nog wat extra informatie bij de betreffende uitzending.
 



De uitzending gaat vooral over de joodse oorsprong van de familie Koperberg – de familie van Marks moeder. Overgrootvader Anton Koperberg was hoofd van de RK jongensschool in Lichtenvoorde, waar hij ook leiding gaf aan de katholieke sportvereniging en het muziekcorps. Twee generaties eerder, in 1831, had de joodse voorvader besloten zijn kinderen katholiek te laten dopen en opvoeden. Was het uit overtuiging of uit welbegrepen eigenbelang? In Eindhoven krijgt Mark verhalen te horen over twee families Koperberg die elkaar naar het leven stonden en over vechtpartijen in de synagoge tussen verschillende neven; en hij leest een verslag over de jodenhaat in het begin van de negentiende eeuw van de overwegend katholieke bevolking tijdens een joodse begrafenis. Veel joodse Koperbergen zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog vermoord in Auschwitz; de katholieke trouwden met goed katholieke meisjes en overleefden de oorlog. Mark is duidelijk aangedaan, dit had hij graag met zijn moeder willen delen.
Voor informatie over onderzoek naar joodse voorouders kunt u hier terecht.
 
Zeer Oude voormoeder
Mozes Hertog Koperberg (1777-1845) was degene die samen met zijn vrouw Anna Rosenblad besloot hun kinderen rooms-katholiek te dopen. Mozes’ moeder heette Ida Levie Zilverberg. Ida Levie Zilverberg overleefde haar man Hertog Mozes ruimschoots. Zij stierf in 1848, op 104-jarige leeftijd.
In 1844 was haar honderdste verjaardag reden voor een advertentie in de krant, waarin aan een gevoel van dankbaarheid jegens ‘het Opperwezen’ werd uiting gegeven ‘daar het den Hemel heeft behaagt bij hare hooge jaren, haar eene volmaakte Gezondheid te doen genieten, en het genoegen heeft van 4 Kinderen, 14 Kleinkinderen , en 28 Achterkleinkinderen onder haren Familiekring te bezitten.’

Moord in de herberg
Een verre voorvader in de vaderlijn Tuitert was Hendrik van Hummel (1699-1746). Hendrik van Hummel was de waard van herberg De Drie Kieften in Epse (Gorssel). In de nacht van 13 november 1746 werd hij vermoord door zijn gast Jan van Nissel. Ze hadden die avond met zijn drieën zitten drinken: de waard Hendrik, zijn vrouw Hendrina Gerrits en Jan van Nissel. Op een gegeven moment wilden de waard en zijn vrouw naar bed maar Van Nissel wilde nog iets drinken. De waard ging uiteindelijk de kelder in om een nieuwe kruik bier te halen en werd toen van achteren met een bijl geslagen door Van Nissel en vervolgens met een mes gestoken tot hij dood was. Daarna had Jan van Nissel de vrouw van de Waard én haar oude vader met datzelfde mes gestoken – zeggende ‘Du alde Canaille, ik zal dij ook wat geven’ –, had geld en spullen meegenomen en was ervandoor gegaan. Hij werd uiteindelijk gepakt in herberg De Wildeman in Twente, waar hij te paard naartoe was gevlucht.
Jan Jacob van Nispen werd veroordeeld tot de doodstraf. 10 december 1746  werd hij op een houten kruis gebonden, zijn armen en benen werden ‘aan stukken geslagen’ en vervolgens werd zijn hoofd er met een bijl afgeslagen. Tevens werd bepaald ‘dat zijn lichaam aldaar op een Rat staande op een paal zal worden geleit, en met ketenen daaraan gehegt, en zijn hooft daar boven op een pinnen worden gezet, anderen ten afschuwelijke exempel’.
Van Nispens vrouw Dorothea Louisa Magnus werd veroordeeld tot levenslange verbanning uit de provincie en ook de waardin van De Wildeman werd gestraft omdat ze de moordenaar had geholpen. (Het volledige procesdossier is te vinden in het Oud Rechtelijk Archief van het Scholtambt Zutphen.)

De herberg bestaat niet meer maar er is wel een GPS-wandelroute ‘DeDrie Kieften’. Maar of daarin ook het verhaal over de moord wordt verteld?   

De naam Tuitert
Garrit Hendriks van Hummel (1725-1803), zoon van de vermoorde Hendrik van Hummel, droeg als eerste de achternaam Tuijtert.
Opmerkelijk detail: Garrits kleinzoon Lammert Tuitert trouwde in 1822 te Gorssel met Catharina Kiewiet (geboren te Epse)

Voor onderzoek naar familienamen zie onze familienamenbank

Het huwelijk van de tuinknecht en de dienstmeid
Marks overgrootvader Gerrit Jan Tuitert die tussen 1891 en 1957 leefde en (als landbouwer) werkte in Holten, trouwde in 1919 met de Holtense Janna Hendrika Stitteler. Zouden zij geweten hebben dat er in de familie Stitteler zo’n tachtig jaar voor hún huwelijk een nogal bijzonder huwelijk was gesloten?
Jan Willem Stittelaar, geboren in Diepenveen, zo’n twintig kilometer ten westen van Holten, trouwde op 4 juli 1840 op het Landgoed Vollenhoven in De Bilt met Ourika Jacoba Elisabeth Salawatta. Jan Willem werkte daar als tuinknecht en Ourika was er dienstmeid.
Jan Willem was 23 jaar en zijn huwelijksgetuigen waren de 26-jarige Aalbert Stittelaar uit Diepenveen, zijn broer of neef, en de 61-jarige Jan Overeem, tuinman te De Bilt.
Voordat het huwelijk gesloten kon worden moest er echter een ‘akte van bekendheid’ worden opgemaakt voor Ourika, aangezien noch haar ouders noch haar geboortedatum of -plaats bekend waren, zodat, aldus de akte, ‘van haren juisten ouderdom, uit hoofde van hare geboorte uit eene der onbeschaafde en buiten de Nederlandsche bezittingen wonende volksstammen geen bewijs hoegenaamd kan geleverd worden’. Haar werkgever, de hoofdbewoner van Huize Vollehoven was Godert baron van der Capellen, minister van staat en gouverneur generaal van Nederlands Oost-Indië. Hij verklaarde dat Ourika in 1824 als meisje van ‘oogenschijnlijk ten minste zeven jaren oud’ door de ambtenaar J. Bik onder zijn bescherming was gesteld, ‘hebbende die ambtenaar dat kind hetwelk op een der Papoesche Eilanden en alzoo buiten de Ned. O.I. bezittingen is geboren, ontvangen uit handen van Inlandsche Zeevaarders die het waarschijnlijk geroofd hadden’. In 1826 had Van der Capellen het Papoea-meisje mee naar Nederland genomen. Zij had christelijk onderwijs genoten in en was in 1839 gedoopt. 
Jan Willem en Ourika kregen tenminste één dochter, die ze Elisabeth noemden.
Grappige bijkomstigheid: Landgoed Vollenhoven is tegenwoordig een populaire trouwlocatie.

Zelf aan de slag met uw familiegeschiedenis? Ga naar CBG|Centrum voor familiegeschiedenis