donderdag 5 februari 2015

Michiel de Ruyter

Door het verschijnen van de film over Michiel de Ruyter werden wij natuurlijk ook geprikkeld om ook eens in onze eigen collecties op zoek te gaan naar materiaal. En dat hebben we gevonden! In de genealogische verzamelingen van het KNGGW (Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde) vonden we twee dossiers met interessante informatie.

In het dossier De Ruyter van de collectie Bloys van Treslong Prins bevindt zich een handgeschreven genealogie De Ruyter. En daarin weer zit een groot opgevouwen blad met daarop de parenteel van de drie dochters van de admiraal: Cornelia. Alida en Margaretha. Aangevuld met aantekeningen en wijzigingen, én de opmerking dat het document uiteindelijk nooit is gepubliceerd. En da's dan toch wel bijzonder.



In de collectie Hoffman bevond zich in het dossier De Ruyter tussen de prenten van het graf van de admiraal een interessant document: een (afschrift van) een notariële akte van notaris Gysb. de Cretser van 17 december 1689. Hierin verklaart Magdalena Pieters Ruysch, huisvrouw van Antonie Schouten, 32 jaar, dat zij als jong meisje regelmatig bij De Ruyter en zijn (derde) vrouw Anna van Gelder op bezoek kwam.En hoe zij daar, ongeveer 23 jaar eerder 'zonder egter inde precysen tyd behaalt te willen zyn' Anna had horen zeggen 'Wy hebben daar duisend ducatons geleent aan oom Evert', daarmee duidend op haar broer Evert van Gelder. Enige tijd later hoorde zij De Ruyter zelf tegen zijn echtgenote zeggen: 'Moeder de vrienden [oom Evert en zijn vrouw] wilden my interessen geeven, maar ik heb ze niet genoomen doch heb ze aan de kinderen geschonken', of met dergelijke woorden en strekking, zegt de getuige dan. Ze weet niet meer hoeveel tijd er tussen beide gebeurtenissen zat, maar ze weet heel zeker dat er niks waar kan zijn van de beschuldiging van Saartje Willems, de vrouw van Evert van Gelder, en zijn erfgenamen, dat de lening andersom was. Dus van Van Gelder aan De Ruyter. Ze weet namelijk zeker dat zij 'zeer suffisante en zeer eerlyke luyden' waren, en dat zij nooit nagelaten zouden hebben een dergelijke lening terug te betalen. Al was het maar omdat ze 'veel genegentheyt voor dezelve familie hadden'.


De akte is gepubliceerd in De Nederlandsche Leeuw 28 (1910) 372-373